Gezien de diverse discussies in het verleden op dit forum over de voordelen en nadelen van verschillende ontwikkelmethodes heb ik een experimentje opgezet om te kijken of ik in mijn eigen doka en met mijn eigen werkwijze verschillen tussen rotatieontwikkeling en het kiepen met een Patersontankje kon ontdekken.

Ik heb daarvoor HP5+ gebruikt belicht als 400 iso en ontwikkeld in XTOL - mijn standaardontwikkelaar. Voor de Paterson heb ik een kleinbeeldfilm gebruikt, belicht met een G2 en een 2.8/90 mm Sonnar er op. Voor de rotatie-ontwikkeling een vel 4x5", belicht met een 6.8/90 mm Grandagon. Door twee lenzen met eenzelfde brandpunt te gebruiken zijn krijg je vergelijkbare uitsnedes bij eenzelfde vergroting - dat is makkelijker in de vergelijking. Ik heb met de hand het opvallend licht gemeten, op de Sonnar met f5.6 gewerkt, op de Grandagon met f16.7, diafragma's die voor beide lenzen bij mij gebruikelijk zijn.

Rotatieontwikkeling was 11 minuten bij 20,4 C in 1+2 XTOL, dit is bij mij de N-ontwikkeling. De kiepontwikkeling eveneens 11 minuten, maar bij 20,7 C en in 1+1 XTOL. Dit is volgens de informatie van Kodak de standaardtijd voor een gemiddeld contrast. Een 1+19 stopbad gebruikt en daarna gefixeerd in X89 1+4, 4 minuten. Kiepritme was eerste minuut 5 maal, daarna elke minuut 1 keer. Redelijk terughoudend dus. Rotatie was standaard de instelling II op een Jobo CPE2 - dat is conform aanbevelingen van de fabrikant.

Na het drogen de vergroter zo hoog mogelijk gesteld, een 50 mm 2.8 El Nikkor er op, die op f5.6 gesteld en goed scherp gesteld. Daarna twee keer een printje gemaakt van dezelfde uitsnede. Lineaire vergroting was ruim 17 keer, voor kleinbeeld levert dat een print van 60 cm breed, voor 4X5 is dat ruim 2 meter. De printjes zijn belicht, zodat een wit vlak een vergelijkbare mate van grijsheid heeft. De korrel is daar goed zichtbaar.

Er is vanzelfsprekend het nodige af te dingen op deze testopzet: twee verschillende camera's, twee verschillende emulsies, twee verschillende verdunningen van de XTOL en twee ontwikkelingen die een beetje verschillen in temperatuur. Bij het afdrukken was dat terug te zien: beide afbeeldingen verschillen ongeveer een gradatie in contrast. Staat tegenover dat dit wel is zoals het altijd bij mij altijd gaat en het dus resultaten zijn zoals ik die met mijn werkwijze en mijn spullen krijg.

Bij het bekijken van druken vielen me twee dingen op:
De eerste is dat de Sonnar een akelig scherpe lens is met een uitstekende contrastoverdracht en dat dit zelfs op HP5+ te zien is. De Grandagon tekent minder scherp en verliest ook wat meer contrast, maar blijft niet eens zo heel erg ver achter. Persoonlijk had ik verwacht dat de verschillen groter zouden zijn, zeker omdat je bij f16.7 al op een punt zit, waar lichtbuiging van invloed is op je beeldkwaliteit.
De tweede is dat de verschillen in korrel en randscherpte minimaal zijn. In de kiepontwikkeling is hij iets geprononceerder en iets scherper. Ik heb geprobeerd een en ander in een scan van de afbeelding terug te laten komen, maar het valt weg in de ruis van mijn goedkope scanner: de scans verschillen niet.

Voor mij zelf heb ik bedacht dat ik mijn werkwijze bij het ontwikkelen van films niet ga aanpassen: rotatieontwikkeling voor 4x5, kiepen voor kleinbeeld en rolfilm. De winst in scherpte die kiepen van van 4x5 oplevert, is minimaal en weegt niet op tegen het gemak van de rotatieontwikkeling op het grote formaat, temeer daar ik toch niet groter dan 50X60 kan drukken in mijn doka.