Quote Originally Posted by Ruud View Post
Hallo Huub,

Wat heb ik gedaan :

Film FP-4 ingesteld op ISO 125 om te starten.
Lichtmeting op 18 % grijskaart gemeten.

Mogelijke fout : grijskaart niet verticaal. heb ik mij nooit gerealiseerd dat als je hem schuin naar boven zet, hij natuurlijk te veel licht reflecteerd. Dus kortere tijd aangeeft dan goed. Kan vroegere fouten verklaren, zal ik eens goed op letten.

In ieder geval deze uitgangswaarde gekozen en een belichtingstrapje van plus en min halve stop gemaakt met als onderwerp grijswaardeschaal met trappen van 1-19.

Toen ontwikkeld x-tol 1+1, 20 graden ( nauwkeurig met kwiktherm ) 10,5 min
Elke minuut 3 x kiepen.

Ik moet ze nog afdrukken. Maar bij de neg.leek mij dat de schaduwen dus de trappen van 15-19 dicht liepen.

Ik dacht dat D-76 wat toleranter misschien was.maar kan ook door kleine fouten zijn.

Het lijkt dus op overbelichting want korter belicht dan gemeten lijken me redelijk.( evt fout dus verkeerd gebruik grijskaart van 18 % )

Mogelijke fout de grijskaart niet verticaal ( vindt gebruik van grijskaart soms toch moeilijk te interpreteren.)

Ik wil ze afdrukken met filter 2 en dan vergelijken met grijswaarde schaal ( deze loopt dus van wit 1 naar zwart 19.

Het moet dacht ik dan blijken of de gehele cyclus goed is of 100 of 64 in moet stellen of korter ontwikkelen.

Bedankt en gaarne commentaar of dit de goede weg is

Ruud.
Het wordt me al wat duidelijker. Onderstaand stukje is een korte inleiding in enkele essenties van het ontwikkelen op contrast, met wat terminologie uit het zone systeem. En voor de puristen: ik ga af en toe wat kort door de bocht.

In principe is het zo - en de echte deskundigen moeten me maar corrigeren - dat een klassieke zwart-wit afdruk op bariet maximaal een stop of 7 contrast aan kan. Een normaal onderwerpscontrast heeft ook ongeveer 7 stop contrast en een normale ontwikkeling streeft er naar die 7 stop contrast netjes te handhaven. Daar is wel wat op af te dingen, omdat je rekening moet houden met zwartingscurves van film en papier die niet recht zijn aan de onderkant, maar in grote lijnen komt het daar op neer. Een normale ontwikkeling duid je meestal aan met N.
Naast de normale ontwikkeling is er een push-ontwikkeling, die er voor zorgt dat een onderwerp met een laag contrast - zeg 5 of 6 stops - op de film toch weer netjes 7 stops wordt. Zo'n push ontwikkeling is per stop meestal een 20 - 25% langer in tijd dan de normale ontwikkeling en wordt meestal aangeduid met N+1 voor een push van 1 stop en N+2 voor een push van 2 stops.
Ook is er een pull ontwikkeling die een onderwerp met een hoog contrast - 8 of 9 stops - naar die 7 stops brengt. N-1 en N-2 zijn daar de typische aanduidingen voor 1 respectievelijk 2 stops in contrastreductie. Gemiddeld moet je per stop contrast je ontwikkeling met zo'n 30% bekorten, als eerste richtlijn.

Wanneer je gemiddeld grijs, dat is de 18% grijs van je kaart, zone V noemt, heb je bij 7 stops contrast een doortekening van 3,5 stops aan de onderkant en 3,5 stops aan de bovenkant van dat gemiddelde. Het is verstandig in verband met die zwartingscurves die niet recht zijn, aan de veilige kant te gaan zitten en op 5 tot 6 stops te gaan zitten. In zones betekent dat er van zone II (de meeste mensen nemen zelfs II.5) tot en met zone VIII (of VII.5 om zeker te zijn) sprake moet zijn van enige doortekening in de afdruk. Zone I is dan maximaal zwart en zone IX is papier wit.

Wanneer je dit vertaalt naar de trap van 20 stops die je belicht hebt, dan moet je volgens mij het volgende doen, tenminste als je de grijskaart op de goede manier geplaatst hebt. Je bepaalt de tijd die je nodig hebt om de kaart die je gemiddeld belicht hebt, bij gradatie 2.5 als gemiddeld grijs af te drukken. De kaart die je 3 stop onderbelicht hebt (zone II) moet met deze belichtingstijd als bijna zwart in de afdruk verschijnen. Je moet een vel dat je zonder negatief belicht nog net iets zwarter kunnen maken, alleen dan valt waarschijnlijk op dat zone II niet helemaal maximaal zwart is.
Het zelfde geldt omgekeerd voor de kaart die je drie stops hebt overbelicht (zone VIII): die moet bijna papier wit zijn.
Welnu. Als je de kaart die je drie stops onderbelicht hebt op maximaal zwart zit, dan moet je ruimer belichten. Je EI is dan lager dan de nominale gevoeligheid van de film. Is de kaart die je drie stops overbelicht hebt papier wit, dan moet je korter ontwikkelen. Heb je beide 'problemen', dan moet je beide zaken corrigeren. Bedenk daarbij dat korter ontwikkelen ook enige invloed heeft op de gevoeligheid van de film. Maar bedenk ook dat je kleine afwijkingen met de gradaties van je papier probleemloos kunt corrigeren en dat een ongeveer goed negatief, meestal voldoende is om perfecte afdrukken te kunnen maken. Bovendien loop je regelmatig tegen beelden aan die niet aan dat gemiddelde contrast voldoen en die je moet ook corrigeren.

Geven de kaarten die je respectievelijk 4 stops hebt onderbelicht en 4 stops overblicht, nog net geen maximaal zwart, danwel bijna papier wit, dan heb je een N-1 ontwikkeling. Je N ontwikkeling ligt dan waarschijnlijk een 25% daarboven en je EI zo'n tweederde stop hoger. Is dat het geval bij de kaarten die 2 stops van het midden afwijken, dan heb je een N+1 ontwikkeling gedaan. Je N ontwikkeling is dan zo'n tweederde van de tijd die je eerst had en je EI ligt waarschijnlijk een tweederde stop lager.

Tenslotte: dat je van de kaarten die je meer dan 5 stops hebt onderbelicht, niets meer ziet op het negatief is dus volgens verwachtingen. De zone's 0 tot en met -IV zijn fotografisch niet relevant, want je krijgt het niet afgedrukt. Iets vergelijkbaars geldt voor de kaarten die je meer dan 5 stops hebt overbelicht. Deze passen misschien nog wel binnen het contrast van de film, maar zeker niet op dat van het fotopapier en zijn dus ook niet fotografisch interessant.

Ik hoop dat je hier wat mee kunt.

Huub