Mijn verleden op de fotovakschool dateert van midden jaren negentig. Ik heb net de overgang van die kleine blauwe multomappen naar glossy A4 katernen (die wemelden van de spelfouten) meegemaakt. Ik vermoed dat je de test met de 25 afdrukken op 18x24 bedoelt. Een soort versimpeld, op de dagelijkse praktijk gericht zonesysteem. Ik heb deze oefening enkele weken geleden nog gegeven tijdens mijn doka-cursus. Even snel uit het hoofd gaat die zo :
- Stel een stilleven samen met een bereik van zeven stops. Zorg dat er een grijskaart en een stuk helder witte stof met grove structuur in beeld is. Een witte badhanddoek o.i.d. De binnenkant van een zwart filmdoosje kan dienst doen als absoluut zwart. Een MacBeth kleurenkaart maakt de test meervoudig bruikbaar. Meet met je camera op de grijskaart, of meet met je handbelichtingsmeter het opvallend licht. Zorg voor gelijkmatige verlichting (grijze hemel, of een softbox.)
- Maak van die scène een belichtingstrap van 5 opnamen van -2 tot +2 in stappen van 1 stop.
- Maak na elke belichtingstrap twee lege opnamen, klap de spiegel op, plak een stikkertje of stukje plakband op de film, maak nog een lege opname, en dan weer een belichtingstrap van -2 tot +2. Kun je de spiegel niet opklappen, maak dan na elke belichtingstrap drie lege opnamen.
- Ga hiermee door totdat je 5 belichtingstrappen van 5 opnamen hebt.
- Knip in het donker de films in stukken op de plek van het stikkertje. Kon je de spiegel niet opklappen, neem dan een houten lat en een stuk film van 8 negatieven lengte. Sla twee spijkertjes in de lat. Een aan het begin, en een naast het 8e negatief. Leg in het donker de film naast de lat, en knip hem telkens bij het 2e spijkertje door.
- Ontwikkel de stukken film met 5 verschillende ontwikkeltijden. Liefst in één tank waar je telkens een stuk film uit wegneemt (in het donker natuurlijk).
- Maak van elk negatief de beste afdruk die je kunt maken, op een vel 18x24 (of je favoriete afdrukmaat). Gradatie 2. Zorg dat op elke afdruk de lichtste partijen net-niet-papierwit worden.
- Noteer op de rug van elke afdruk welke belichting en ontwikkeltijd het negatief gehad heeft, en welke afdruktijd en papiergradatie gebruikt zijn.
- Leg alle afdrukken netjes als een puzzel op de grond. Van kortst belicht en kortst ontwikkeld negatief linksboven naar langst belicht en langst ontwikkeld negatief rechtsonder.
- Kies de beste twee of drie afdrukken eruit. Let daarbij op algehele indruk en op details in hoge lichten en schaduwen.
- Voilà. Je weet nu exact welke belichting-ontwikkeltijd combinaties de beste resultaten geeft voor jouw favoriete film-ontwikkelaar-papier combinatie.
Kort samengevat : Maak 5 belichtingstrappen van een voor jou typisch onderwerp. Ontwikkel ze met 5 verschillende tijden. Maak van elk negatief de best mogelijke afdruk op normale gradatie. Kies de beste combinaties (naar jouw smaak) uit.
Het is een boel werk, maar dan heb je ook wat.
Ga bij het bepalen van belichtings- en ontwikkeltijden uit van de officiele ISO-waarde en de ontwikkeltijd die de fabrikant aangeeft. Meestal ontdek je dat die "officiele" waarden niet de beste beeldkwaliteit opleveren. Gebruik je 120 film, maak dan eerst 5 opnamen, twee lege opnamen en weer 5 opnamen. In het donker vouw je de film dubbel en knip je hem in het midden door.
Allerlei variaties op deze methode zijn natuurlijk mogelijk. Bijvoorbeeld door kleinere belichtingstrappen te maken. Door de test te herhalen met heel hard of heel zacht licht, of met andere apparatuur. Of door niet alles op gradatie 2 af te drukken, maar telkens de beste gradatie bij je negatief te zoeken. Ik geloof dat in de FVS cursus afgedrukt werd volgens de grijskaart, maar het net-niet-papierwit van de hoge lichten werkt naar mijn ervaring nauwkeuriger.
Succes kwiebus.

Adv Reply