Quote Originally Posted by FotoGys View Post
F11 geeft een belichtingstijd bij een gegeven negatief.
De contrastomvang in je negatief bepaald bij welke gradatie je nog doortekende zwarten krijgt. Meestal op gradatie 3,5 af kunnen drukken betekend dus dat je de meeste negatieven met telkens een zelfde contrastomvang hebt ontwikkeld. Mij lukt dit niet echt.

Druk je een negatief met grote contrastomvang (dus voor zachte gradatie) op 3,5 dan krijg je een wel heel modderig beeld zonder al die fijne grijswaarden. Je benut in dit geval maar een gedeelte van de beschikbare contrastomvang, de rest is of papier wit of max. zwart.

Ik denk dat een nadere uitleg hoe je tot de constante negatieven komt e.e.a. duidelijk zal maken. Graag hoor ik hierover.

Guus
Op grond van deze post ben ik tot die conclusie gekomen (althans dat denk ik). Ik begrijp dat je een uitleg wil hebben hoe je tot constante negatieven kan komen. Hierop heeft Ludo zijn (zone) methode gegeven. Ik volg de methode, zoals die door Kodak is weergegeven in een document uit 1976. Ik dacht dat ik je dat document al eens had laten zien.
Overigens is het uitgangspunt bij de Kodak methode constante negatieven, terwijl dat bij het zonesysteem niet het geval is, als gevolg van de plaatsing van zones en contractie etc.
De komst van de moderne objectieven is voor mij aanleiding geweest om op de Kodak methode over te gaan. En het zijn de moderne objectieven weer dat je beter met de doortekening om kunt gaan, dan met de oude objectieven.
Ik zal mijn gedachten er nog eens over laten gaan, hoe dit het beste is aan te pakken. Het heeft ook geen zin om hier het kodak document te kopieeren.

Jed